Memory Lane
toen geluk nog heel gewoon was
Ze had echt een fijn huis, puur geluk dat ze hier nog steeds kon wonen, al was het misschien wat groot voor haar alleen. Maar het was wel háár huis, vol herinneringen aan vervlogen tijden. Ze hield ervan om een beetje te mijmeren over vroeger. Sinds haar trouwen woonde ze hier, bijna zestig jaar nu, onvoorstelbaar lang, letterlijk een heel leven. Ze schonk zichzelf nog een kopje thee in en dacht aan de tijd dat ze hier nog met haar man en kinderen woonde.
Dat was lang geleden, haar man Jos was al veertien jaar dood, binnen een paar maanden was hij weg, net geen zevenenzestig jaar oud. Ze was er enorm van geschrokken, had het niet verwacht, naïef misschien want waarom zou het alleen anderen overkomen? Haar twee zonen waren de deur toen al uit, die hadden hun eigen levens.
Ze moest het alleen zien te redden en dat was moeilijk na een huwelijk van bijna vijfenveertig jaar. Maar ze was weer overeind gekrabbeld, al was de glans van het leven wel vervaagd zonder hem. Toch kon ze nu ook genieten van de herinneringen in huis, van de sporen van dat oude leven. In wat nu de logeerkamer was zat nog het kinderbehang dat zij en Jos er ooit op hadden geplakt, het was niet eens verkleurd. De deur naar de keuken was iets te kort, die had Jos verkeerd afgezaagd. ‘’Ach,’’ had hij gezegd, “dat is goed voor de frisse lucht.” Ze had ook nog veel spullen van vroeger; kindertekeningen en knutselwerkjes van de jongens, kleertjes en speelgoed, de jurk en de schoenen die ze droeg toen ze voor het eerst echt uitging met Jos, oranje met een lage rug en haar hakken waren veel te hoog maar ze had zich zo mooi gevoeld. Haar trouwjurk had ze nog, een theeservies van haar moeder, al het gereedschap van haar vader, de kleding van Jos, niet alles natuurlijk maar wel een paar dingen die hij graag droeg zoals zijn dikke pantoffels en een huisvest. En ze had veel foto’s, Jos had er honderden gemaakt, hij bleek al heel jong een goede amateurfotograaf.
Het was jammer dat de dozen met foto’s nat waren geworden door een lekkage boven, maar een deel had ze weten te redden. Alles lag nu veilig beneden in de woonkamer waar ze ook was gaan slapen omdat er boven sinds de lekkage geen stroom meer was.
Toen de kinderen eenmaal uit huis waren, hadden ze het samen fijn gehad. Ze maakten reisjes, bezochten concerten, gingen naar de film. Jos was de motor geweest, zij was voorzichtiger, meer timide maar ze had genoten van het leven samen met hem.
Er waren altijd huisdieren, drie poezen, Kit, Kat en Poes, en twee honden Jip en Janneke, geintjes van Jos. En hij had een groot aquarium met tropische vissen. Ze keek naar het aquarium, ze had het gehouden omdat hij er zoveel plezier in had.
Bitterzoete herinneringen, maar met al haar spulletjes om haar heen voelde het huis veilig en warm.
Ze moest het ook wel gezellig maken voor zichzelf, want haar zoons zag ze niet meer. Ze wilden niet meer komen, ze misten de gezelligheid van toen waarschijnlijk. Een kaart met kerst en één voor haar verjaardag was wat over was gebleven, maar zelfs die had ze de laatste jaren niet meer gezien.
Met de buren had ze ook weinig contact, die begonnen altijd maar weer over de tuin, de planten waren te hoog of de schuur te oud maar ze vond het gezeur. Ze keek graag naar de tuin die ze samen met Jos had aangelegd. Ze hielden niet zo van dat aangeharkte.
De enige die ze wel eens sprak was een ouderenwerker. Die kwam bij de deur vragen hoe het ging en of ze hulp nodig had. Ze bedankte hem altijd vriendelijk, maar ze kon alles nog zelf en redde zich best, al kookte ze nooit meer sinds ze de magnetronmaaltijden had ontdekt. En misschien blonk het huis wat minder dan vroeger maar toen was ze ook wel erg precies geweest. Nee, ze zat hier prima met haar spulletjes, haar dieren en haar herinneringen. Ze nam nog een laatste kopje thee, het zakje kon ze morgen nog een keer gebruiken.
Ze schrok op uit haar gemijmer door geklop op de voordeur; haar bel deed het al heel lang niet meer. Door de brievenbus werd haar naam geroepen. Ze deed niet open, ze deed eigenlijk nooit open, want ze verwachtte niemand. Weer hoorde ze haar naam en toen stonden er opeens twee mensen in de kamer; één herkende ze als de ouderenwerker, de ander als agent.
‘Het spijt me mevrouw Joosten, maar het gaat zo echt niet langer’, zei de ouderenwerker. Hij wees naar het half ingedroogde aquarium met het blubberige laagje donkerbruin drab erin, naar de vensterbanken met de dode planten, de zakken vol kleding en dozen met stapels aan elkaar geplakte foto’s, dozen vol onduidelijke spullen…
‘Slaapt u op de bank? En u heeft geen stroom, dat gaat toch helemaal niet?’
Een blik in de keuken leverde een stilleven van half opgegeten magnetronmaaltijden op.
Het hele huis stonk naar vergane glorie en betere tijden.
‘Het staat hier ook zo vol’, mopperde hij tegen de agent.
‘Die voordeur gaat niet verder open, daar staan ook allerlei dozen achter en oh god, er ligt een dooie kat op een verjaardagskaart.’
